Sponsors

als u meer informatie wilt over hoe het classificatiesysteem in elkaar zit.

Classificaties

 

Bij het paralympische zwemmen is er een classificatiesysteem opgezet. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat zwemmers met een gelijkwaardige handicap tegen elkaar zwemmen waardoor de competitie zo eerlijk en gelijk mogelijk wordt. De wedstrijden zijn dan net als in de valide sport een meting van de sportkwaliteiten van de atleten.

 

Voordat iemand in een gehandicapte klasse kan uitkomen moet er eerst worden aangetoond dat de handicap ook daadwerkelijk een beperking oplevert tijdens het zwemmen.

 

World para swimming maakt onderscheid tussen drie groepen beperkingen: fysiek, visueel en intellectueel. Die groepen worden ingedeeld in bepaalde sportklassen. Een sportklasse bestaat uit een voorvoegsel en een cijfer. De voorvoegsels staan voor de slagen waarop de klasse betrekking heeft en het cijfer geeft de impact van de beperking aan.

 

De voorvoegsels zijn als volgt:

 

S:          borstcrawl, vlinderslag en de rugslag evenementen

 

SB:        schoolslag evenementen

 

SM:       wisselslag evenementen. De wisselslag bestaat uit 4 slagen, 3 S slagen en de SB slag, daarom word de SM berekent volgens de volgende formule (3S + SB/4). Voor de lagere klassen wordt de formule aangepast naar (2S + SB/3), dat komt doordat zij een slag minder hoeven uit te voeren.

 

De cijfers staan voor:

 

1-10:    fysieke beperkingen: hoe lager het getal, hoe groter de impact van de beperking op het zwemmen. Om te bepalen in welke klasse een zwemmer thuis hoort is een puntensysteem ontwikkeld. Tijdens het classificatieproces zijn er twee beoordelingsmomenten. De eerste op het land en de tweede in het water. Dit wordt gedaan om de beoordelaars een optimale kijk op de beperking van de zwemmer te geven. Het totaal aantal punten dat is toegekend tijdens de beoordelingen bepaalt vervolgens de S- en SB-sportklassen van de zwemmer. Vanwege de verschillende eisen van S- en SB-evenementen worden zwemmers vaak verschillende S- en SB-sportklassen toegewezen. De zwemmers in een fysieke beperkingsklasse hebben door het puntensysteem dus niet per definitie dezelfde handicap, maar even veel last van hun handicap tijdens het zwemmen. Zo kan het dus voor komen dat een zwemmer die een deel van zijn arm mist moet zwemmen tegen iemand die een deel van het been mist. In de hogere getallen zijn er ook zwemmers die op het eerste oog geen beperking lijken te hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval bij mensen met een spieraandoening.

 

11-13:  visuele beperkingen: In deze klassen geldt ook dat hoe lager het toegekende getal hoe erger de sporter beperkt is tijdens het zwemmen, maar in dit geval heeft dat betrekking op het visuele vermogen van de zwemmers. Zwemmers in de klasse S/SB11 hebben een zeer lage gezichtsscherpte en/of lichtperceptie. Om deze klasse volledig gelijk te maken wordt er in deze klasse gezwommen met een geblindeerd zwembrilletje. S/SB12 zwemmers hebben een hogere gezichtsscherpte dan zwemmers in de S/SB11 klasse en/of een gezichtsveld met een straal van minder dan 5 graden. Als laatst hebben S/SB13 zwemmers de hoogste gezichtsscherpte die nog als handicap kan gelden en/of een gezichtsveld met een straal van minder dan 20 graden. Om te bepalen in welke klasse een zwemmer behoort word een oogmeting afgenomen. Dit om fraude te voorkomen.

 

14:        intellectuele beperking: zwemmers in deze klasse hebben een verstandelijke beperking (IQ <75) wat er voor zorgt dat de zwemmers problemen hebben met patroonherkenning, volgordebepaling en geheugen, of een langzamere reactietijd hebben, die de sportprestaties beïnvloed in het algemeen. Om te bepalen of een zwemmer genoeg intellectueel beperkt is worden verschillende tests gedaan op een computer.